zaterdag 2 april 2016

Vermijdingsrituelen in de visserij

Het schip is een symbolische vrouw. Het wordt gedoopt, krijgt een naam, een peter en een meter. Tijdens de vangst 'bezwangeren' de vissers het schip en het wordt in de vismijn 'verlost'. (Op de foto: vissers op de Vlaamse IJslandvaarder Amandine, thans museumschip in Oostende.

Oostende is een spookstad. Dat bewijst de Vlaamse Volksverhalenbank. Die bevat 174 getuigenissen van Oostendenaars die met een spookachtig verschijnsel geconfronteerd werden. Veel ervan hebben met de visserij te maken. Dat is logisch, want tot in de jaren zestig van de vorige eeuw is Oostende een indrukwekkende vissersstad geweest.
Een aantal van die vissersverhalen hebben met vermijdingsrituelen of rituele mijdingsregels te maken. Zo moeten sommige woorden (‘paster’) aan boord vermeden worden, sommige voorwerpen (lange broden, krentenbroden) en sommige handelingen (scheren)… Op weg naar ’t schip mijd je priesters, vrouwen (Miete Delange in ‘t bijzonder) en sommige dieren (katten). Het zijn taboes (woordtaboes en visuele taboes).  Als ze niet vermeden worden, kunnen er bovennatuurlijke sancties volgen.
Die spookverhalen hebben bijgevolg een welbepaalde functie, ze herinneren de vissers aan de gevolgen van onzorgvuldigheid en ze zorgen ervoor dat de taboes gerespecteerd worden.
Stefaan Top (univ. Leuven) is een specialist in de Volkskunde.
Onder zijn impuls werd de Vlaamse Volksverhalenbank opgericht.
Uit zo’n verhalen valt veel te leren. Bij het uitvaren moeten vrouwen gemeden worden, pastoors, katten, maar vreemd genoeg ook… zwanen. Bestaat er een verband? Wat hebben een vrouw, een pastoor en een zwaan met elkaar gemeen?
In 1958 noteerde een wetenschappelijk medewerker van professor Stefan Top volgend verhaal uit de mond van een Oostendse visser. Hij heeft het over een zekere Aspeslagh, e visscher die voarde en die mêns aad alle tegenslagen van de wêreld. ’t Was z’n eigen schip, stief katteliek, awor, ê j’aad ol de tegenslagen van de wêreld. Bie zoverre datten soms in zèè e zwoane zaag zwemmen, gelik of da j’ier in den of êt. Zo die zwoane kwaam tegen de boord, zo ze verschuwden ziender dadde en da wilde mo nie weg goan. Tot op e zekere kèè datten e sleep deide op ze visscherie en ter zat toar mor èèn toenge in, e groaten, jüste ’t vel over de groate. Zo nateurlik, j’êt da toa were over boord gesmeten.
En osten ton thüs kwaamde, je gienk ton no de paster, je gienk da gon zeggen. En de paster zei: “Ewêl, je zie gie beëkst gewist. Aa j’em in ’t vier gesmeten, ewor, die ekse gieng verbrand gewist ên.”
Zo die paster êt em ton belezen, wiewoater en ollegoare meegegeven.
Zo j’is ie ton nateurlik were in zèè gegoan. Mo da was nog assan ’t zêlfde. Z’ên em tonne e krüsbeeld gegeven, voer an ze korre t’ angen. Ton is da mo stilletjes an, stilletjes an verbeterd awor. Enne zo êtten ie toen nieks mi gewoare geworden.’
In vind nog gelijkaardige voorvallen. ‘Da was e visscher ên je gienk no zèè met de sloepen nog in de tied ee. En osten an d’oede kerke komt wo da de peperbusse nu nog assan stoat, ter lopen doa zes klèène zwoantjes, gèèle klintjes; “Wa doet dadde ier” zegten “in ’t gat van de nacht, die zwoantjes. Kom bèèsje kom” zegten, en med under panger (…), lokten die bèèsjes bie em en stikten z’n in ze panger. Enne je go no ’t schip, en je go no zèè, en je zegdie an niemand niet. En oan ze al verre in zèè zien, d’èèste nacht, vertelten, wa datten doa mee êt en woa datten da gevoenden êt.
“Ja mo” zegt de kappeting “rap je gie mor alles op” zegten.
“Ewê”, zegten “wad is ter doar an gelegen” zegten “omme binnen zien ‘k gon ze kik lienks of rechts dragen, ze kunnen z’op kwèèken” zegten.
Mo nu den twidden nacht, je wilt die bèèsjes eten geven en da zien in de platse dosoofden. Je roept de kappeting en roept de zes andere mannen, — zes mannen en e joengen is ter an boord van de sloepen — en die mânschen stoan aal verstomd. En zegt de kapting: “Dat is e slich voortèèken” zegten “ke gon ik nie vors” zegten “ke goan ekik nie verder op de visvangste, ‘k gon ik werekèèren” zegten en je vroege d’ander mênschen under avies, en zieder weregekèèrd! En oan ze binnen kwamen die vint die ze gevangen adde, doar an de peperbusse, ze wüf was dood, ze wüf was gestorven.’
En zo zijn er in die Volksverhalenbank nog een aantal vertellingen te vinden waaruit blijkt dat zwanen te mijden zijn. De vraag is waarom.
Er bestaat een antropologische studie die het over dergelijke rituele mijdingsregels heeft (*) Daarin wordt het verschijnsel als volgt geduid: Waar sprake is van gevaar, economische onzekerheid en onvermogen om ecologische krachten te beheersen, daar treft men rituelen, magische handelingen en taboes aan.’ Het spreekt vanzelf dat de visserij hieronder valt. De visserij is ook vandaag nog altijd het gevaarlijkste beroep ter wereld, er bestaat nog altijd geen zee zonder stormgevaar en de opbrengst van de visserij is nooit op voorhand bekend. Het is een situatie die bij de betrokkenen gevoelens van angst en onzekerheid oproepen. Rituele mijdingsregels helpen, net als amuletten (kruisbeelden, paternosters…) die gevoelens te onderdrukken.
Rob van Ginkel (universiteit A’dam) is een antropoloog
die zich sinds 1988 op het maritieme geconcentreerd
heeft. Zo bestudeerde hij ook overgangsriten in
vissersgemeenschappen.
Vandaar ook dat de overgang van het vasteland naar de zee, de afvaart, ter zake erg gevoelig ligt. Tijdens die overgang nemen de vissers een veelvoud van ongeschreven regels in acht die hen van een goede vangst en een behouden thuiskomst verzekeren.
In de Volksverhalenbank vind je dan ook een aantal verhalen van vissers die weigeren uit te varen als er een slecht voorteken is: ‘Ja, Miete de Lange, godomme, m’ên nog bie eur geweund, m’ên nog in èèn üs geweund, j’aam. Os’t er e sloepe moest in zèè goan, en ze zaat zie op e poale woa dad under ende an vaste was, ze giengen zieder ni zeggen: “Madame, god e bitje weg wè.” Nei’s, ze giengen zieder wachten toe da ze giengde. Ja, ze giengen nie weg goan wi, ze giengen in zèè nie goan.’
Die vrouw was een slecht voorteken, net zoals hoger vermelde zwaantjes dat waren. Maar nogmaals, wat is het verband tussen een vrouw en een zwaan?
Er is een wetenschapper die in 1964 een ter zake belangrijk verband ontdekt. (**) Hij onderzoekt welke dieren zoal taboe zijn bij de afvaart. Een eerste categorie bestaat uit dieren waarvan mensen geloven dat duivels en heksen zich erin transformeren. Zo bestaan er vissersgemeenschappen waar hazen, konijnen, vossen, ratten, katten, honden, raven of kraaien vermeden moeten worden.
Er is nog een andere categorie en die bestaat uit dieren die ambigu zijn. Zo is zalm een taboe in vissersgemeenschappen van Bretagne en Schotland. Da’s merkwaardig, want een zalm is een vis. Maar omdat hij zowel rivier- als zeevis is, is hij dubbelzinnig. Ook dieren die zowel op land als in het water leven zijn ambigu. Paling en otter zijn taboewoorden in de Shetlands, zeehonden (Shetlands, Orkney, Schotland en Zweden), alligators in Texas en kikkers in Zweden. Dat zijn allemaal dieren die zowel te land als te water leven. En zoals bovenstaande spookverhalen ons leren, geldt er in de Oostendse visserij een taboe op zwanen, ook een dier dat zowel te land als te water leeft, ambigu is en dient gemeden te worden.
Dat zijn dieren. Maar waarom is er dat taboe op vrouwen? Ze behoren tot de vissersgemeenschap, waarin ze belangrijke taken uitoefenen (sociale reproductie, netten breien, zakelijke taken zoals de verkoop…), maar ze werken niet aan boord van het vissersvaartuig. Daarin ligt hun ambiguïteit. Om alle onzekerheid te bannen moeten de zaken in zo’n overgangsritueel gescheiden blijven: vrouwen dienen bij de afvaart vermeden te worden.
Antropoloog Rob van Ginkel zegt het als volgt: Vanaf het moment dat vissers hun huis verlaten om zich op weg naar hun boot te begeven, tot het tijdstip waarop ze weer voet aan land zetten, vertoeven ze in een ander en minder bekend fysiek en cognitief domein. Gedurende dat tijdsbestek zijn ze, niet alleen in lichamelijke en economische zin, maar ook en vooral in bovennatuurlijke zin, bijzonder kwetsbaar. Dat ze zich niet met vrouwen kunnen associëren, die moeten mijden, komt omdat ze op weg zijn naar een andere, symbolische vrouw, te weten hun boot.’
Vissersvrouwen spelen een belangrijke rol in de visserij,
maar niet aan boord van 't schip. Daarom zijn ze 'ambigu'.
Op de foto: vissersvrouw Maria Poitier tijdens WO II in Brixham.
Het schip als andere vrouw! Het is inderdaad iets wat ik ook in de Vlaamse visserij gehoord heb. Van Ginkel bevestigt: ‘Een vaartuig is niet slechts een materieel, maar ook een symbolisch object. Een boot wordt gedoopt, krijgt een naam (vaak van een vrouw) en heeft soms zelfs peetouders. Er wordt altijd in de vrouwelijke vorm aan een boot gerefereerd.’
Van Genkel merkt ook een zekere seksuele connotatie op in de aard van het visserswerk: Vissers werpen hun netten uit en 'bezwangeren' hun boot met de vangst, die zij in haar 'buik' (het ruim) bewaart. In een haven wordt de boot van haar vangst 'verlost.' De economische reproductie in de visserij vertoont een opvallende familiegelijkenis met de sociale reproductie. Men zou kunnen zeggen dat een vaartuig voor vissers, gedurende de vaart, een symbolische eega is. Zij hebben deze 'vrouw' nodig voor hun economische reproductie en kunnen zich derhalve niet associëren met andere vrouwen, die deze reproductie in gevaar brengen.’
Rest ons alleen nog een vraag op te lossen. In de Volksverhalenbank staat ook dit: ‘E je mocht nie spreken van e paster, van e nunne wêl ja, mo van e paster nie.’ Pastoors en dominees moeten ook bij het uitvaren gemeden worden. Dat geldt in Oostende, maar ook in Nederland, de Orkneys, Bretagne, Schotland, Shetland, Far Oer, New England (USA), Texas (USA), Vigo (Spanje)… Waarom is een pastoor eigenlijk taboe? Van Genkel zegt er dit over: Als intermediairs tussen het sacrale en profane zijn geestelijken uiteraard ambigu. Bovendien nemen zij een drempelpositie in in vissersgemeenschappen. Zij komen van buiten de gemeenschap, zijn dus buitenstaanders, maar ze spelen daarin niettemin een belangrijke rol bij de rites de passage verbonden met de levenscyclus, waardoor ze zowel met het leven als met de dood geassocieerd worden. Dat laatste vormt een extra aanleiding om een ontmoeting met een priester of dominee te vermijden.’
Flor Vandekerckhove

(*) Rob van Ginkel. Tussen wal en schip. Taboes en territoriale overgangsriten in Noord-Atlantische vissersgemeenschappen. In Etnofoor I (2) 1988, pp. 108-127.
(**) Anthropological Aspects of Language: Animal Categories and Verbal Abuse. In: E.H. Lenneberg (Ed.), New Directions in the Study of Language. Cambridge.


vrijdag 4 maart 2016

Vissers in de literaire vijver

EEN KWARTEEUW LANG ben ik aan de slag geweest als redacteur van Het Visserijblad. Al die tijd heb ik me over cijfers en tabellen gebogen, ik heb voorvallen beschreven en mensen geïnterviewd, achtergronden geschetst en ontwikkelingen geduid, maar ik heb daarnaast ook veel romans gelezen die zich in het vissersmilieu afspelen. Gaandeweg werd het me duidelijk dat de visserij zonder die literaire dimensie niet te begrijpen valt.

— Herman Melville —
WIE LITERATUUR EN VISSERIJ aan elkaar koppelt kan onmogelijk naast Moby Dick (1851) van Herman Melville kijken. Ismaël heeft als enige de scheepsramp van de walvisvaarder Paquod overleefd. Oud en wijs geworden vertelt hij ons zijn ervaring ter zeevisserij.
Het centrale personage, Achab, is het soort mens dat ook vandaag nog de lakens uitdeelt. Hij is de kapitein van de Paquod en bijgevolg de manager van het schip. Managers waken erover dat het kapitaal groeit. Die taak verleent hen het recht om langs de grenzen van het haalbare te scheren — en als niemand kijkt, er ook over te gaan, zoals de bankencrisis het ons onlangs weer geleerd heeft. Laat ons dat niet aan Achab denken die, in zijn megalomane jacht op de witte walvis, het schip naar de kabeljauwkelder jaagt? De reis van de Paquod is deze van een maatschappij op weg naar haar uiteindelijke catastrofe.
Het boek stelt daar belangrijke vragen over. Bijvoorbeeld deze: hoe komt het dat wij dat allemaal laten gebeuren? ‘Hoe het kwam dat zij in feite volledig meegingen met de toorn van de ouwe — door welke kwade toverij hun ziel bezeten was dat zijn haat haast de hunne leek en de witte walvis net zo goed hun onduldbare vijand als de zijne; hoe dit alles zo kwam — wat de witte walvis voor hen betekende of hoe hij ook in hun onderbewuste begrip vaag en onvermoed de grote, rondsluipende demon van de wereldzeeën kan hebben geleken — dit alles zou een diepere duik vereisen dan Ismaël vermag.’ De vraag is te groot voor de verteller. Alleen het sociale gewoel kan er een antwoord op geven.

— Hendrik Conscience —
TIEN JAAR NA MELVILLE stort ook de Vlaming Hendrik Conscience zich op een vissersroman. De inspiratie komt niet uit de lucht vallen, want de auteur is bevriend met een visser. De twee hebben in 1830 aan de Belgische kant tegen de Hollanders gevochten.
In 1859 trekt Conscience naar zee om er Smagghe, zijn ouwe wapenbroeder, op te zoeken. Het vissersmilieu werkt inspirerend en in 1861 verschijnt de roman Bella Stock met als ondertitel Tafereelen uit het leven der Vlaemsche visschers. Het is een romantisch verhaal over een Franse edelman die tot twee maal toe door een eenvoudig Vlaams meisje van de dood gered wordt. Visser Stock lijkt sprekend op Consciences maat Smagghe en de heldin uit het boek is geïnspireerd door diens dochter Bella.
Conscience zegt daar later zelf over: ‘Om dit werk te schrijven, heeft uw dienaar meermalen het Adinkerkse strand bezocht en de eenvoudige zeden der vissers doorgrond, hunne gewoonten nagespeurd, met hen verkeerd en gegeten, is hij met hen in zee geweest nacht en dag, en heeft hij dus geen moeite gespaard om de natuur en de mensen der Vlaamse zeekust te leren kennen (...)’
— Stijn Streuvels —
Of Stijn Streuvels moeite gespaard heeft weet ik niet, maar in 1927 verschijnt van hem De drie koningen aan de kust. In dat vissersverhaal neemt de schrijver ons mee naar de wereld van de zeilvaart.
Kunnen we ons die wereld nog voorstellen? Haal adem en lees luidop: ‘Zwarte kielen, roode zeillappen, opgehangen boven netten als tullen sluiers gloeiend bruin, en daarboven een bosch van masten, met een wirwar touwen en takelwerk, – al om ’t even zwart en net tegen ’t oranjevuur van de avondlucht gepenseeld, doorstippeld, bespat en besmeerd met tikkels en vegen, vaantjesgewapper van blauw, wit, rood, groen tegen toppen van masten, ra-zeilstokken, speierend en zingend boven de geboende, rondbuikte kielen, (…) heel de vermengelde, dooreengekloeriede, donkere klomp zwemmend op de vettige olie-soep van ’t drubbele, naar ’t groenwendend havenwater, met keerende kleurglanzen aan ’t oppervlak – glimmende oogen, metallieke slingerstrepen, uitspiralende ribbelingen, waar ’t weerspiegelen van den lichtenden hemelgloed, met de donkere schaduwen samen, het wonderste wisselspel van kleuren en schakeeringen, altijd andere arabesken over toovert.’ Pointillisme met woorden!
In dat verhaal komt de Roeschaard voor, een bekende kwelgeest in de Vlaamse visserij. De roeschaard (1943) is ook de titel van een roman van Gaston Duribreux. 
Duribreux laat ons in zijn Roeschaard alle hoeken van Oostende zien. Manjerik Pincket zwerft door de stad omdat de vissers al drie weken thuiszitten: ‘De visscherij is dood, hemelste stakestijf dood! En geen berechten meer aan. (…) De sneeuw houdt niet op, nooit!’
Vissers die de zee te lang missen krijgen een probleem: ‘Visschers worden truntiger dan vrouwen wanneer ze te lang aan wal blijven.’ Dan begint de roeschaard hen parten te spelen.
De kwelgeest die in het verhaal slechts één keer bij naam genoemd wordt, is bij Duribreux
— Gaston Duribreux —
geen zichtbaar ding, zoals hij dat in
de sage wel is, maar een soort Weltschmerz, een gevoel dat met piekeren en zwartgalligheid gepaard gaat. ‘Het lijze schuren van de sneeuw langs het raam, het nauw hoorbaar bonzen op de ruit, het vermoeden alleen van dat geluid, kwelt de halfwakende visschers. Enkelen draaien zich op een andere zij, doen hun ledikant kraken, nijdig en norsch in hun nachtmare. Anderen ontwaken ineens zonder merkbaren overgang, richten zich op en stappen met gesloten gelaat naar het venster. Hun rode onderbroek vlekt donker. (…) Ze voelen zich alleen met den nacht, met het oneindig ontastbare, met Hem.’
De opmerkelijke mededeling dat vissers rode onderbroeken dragen, mag ons niet afleiden van het gevoel dat Duribreux opwekt. Dat treft ook Manjerik, maar die kan het na enige tijd weer van zich af schudden: ‘Geen Roeschaard! Ook geen twijfel meer, geen ingebeelde benauwenissen, geen belemmeringen die doen zweeten, die een vage zinnelijkheid doen opborrelen in het verhitte lijf (…) Thans weet hij meer. Hij is als één die denkt en voelt dat strijden is buiten zichzelf treden.’ Visser Manjerik bevindt zich op de scheidingslijn van het oude (de roeschaard) en de moderniteit (‘strijden is buiten zichzelf treden’) waarin een mens zijn eigen lot bevecht.

OM ECHT EEN HEDENDAAGSE zeevisser te ontmoeten moeten we de steven naar buitenlandse auteurs wenden. Naar Frankrijk bijvoorbeeld waar Benoîte Groult Zout op mijn huid (Les vaisseaux du coeur, 1988) publiceert, een liefdesroman én een vissersverhaal.
Benoîte Groult kent ze goed, de vissers: ‘Bij hen stonden vakmanschap, eerlijkheid en moed hoog in het vaandel; gezondheid was een goede eigenschap en vermoeidheid een tekortkoming verwant aan luiheid. Werk werd afgemeten aan zijn nut, nooit aan de moeite die het kostte of aan de tijd die ervoor nodig was.’
— Benoîte Groult —
George, het vrouwelijke hoofdpersonage, haalt Groult uit haar eigen milieu, dat van de Parijse bourgeois bohémien: ‘Bij ons, Parijzenaars die flirtten met de artistieke avant-garde (mijn vader gaf een tijdschrift over moderne kunst uit), werd eerlijkheid een beetje belachelijk gevonden, behalve voor een dienstmeisje.’
Daar tegenover moet iemand komen te staan die helemaal anders is. Dat wordt Gauvin, een Bretoense visser, waarvan George zegt: ‘En met de onbuigzaamheid die toen de plaats innam van mijn persoonlijkheid kon ik hem zijn gebrek aan cultuur niet vergeven, zijn gewoonte om de haverklap te vloeken, zijn voorkeur voor bedrukte jacks en voor sandalen waarbij hij sokken droeg, zijn sarcastische glimlach bij abstracte schilderijen die hij de dag ervoor in het museum in enkele zinnen die blijk gaven van een boosaardig gezond verstand had afgekraakt; noch zijn duidelijke voorliefde voor Rina Ketty, Tino Rossi en Maurice Chevalier, precies die zangers die ik niet kon uitstaan en die ik op mijn beurt in een paar besliste zinnen met de grond gelijk had gemaakt! Ik vergaf hem niet dat hij het brood in zijn handen sneed en zijn vlees van tevoren op zijn bord, noch dat hij een beperkte woordenschat had die twijfels opriep over zijn denkvermogen.’
Als burgertrut kun je op zo’n mens wel verliefd worden, maar je kunt er niet mee thuiskomen: ‘Met een visser pronken zou leuk zijn geweest voor een avond: mijn ouders waren dol op zeemansliederen, op de met messing anker versierde leren riemen die aan boord werden gevlochten, op de grote Bretonse baretten die alleen nog door vakantiegangers werden gedragen en op de kunstmatig verkleurde kostuums van rood en marineblauw linnen die nog authentieker waren dan de kostuums van de vissers.’
‘Maar echte vissers van vlees en bloed, en dan niet bij de viskraam of aan boord van hun tonijnvissersboot of trawler waar ze er zo edel uitzagen, zo leuk ook met hun gele oliejassen en lieslaarzen (“Die kerels, petje af!”) Maar een echte zeeman op het tapijt van een Parijs’ appartement, met een bedrukt jack en met rouwranden onder zijn nagels, goeiemensen!’
George en Gauvin trouwen niet met elkaar. Na wat hierboven staat valt dat te begrijpen, maar het staat de liefde niet in de weg en de passie nog minder. Lang nadat het tussen die twee voor ’t eerst gevonkt heeft, gebeurt nog altijd dit: ‘We hadden de hele nacht nodig om ons van ons verlangen te verlossen.’

— Norman Lewis —
DE VISSER IS ANDERS, zegt Benoîte Groult. Zelf weet ik inmiddels wel waar dat anders-zijn vandaan komt — het heeft met de zee te maken en met de jacht — maar wanneer ik me in 1988 voor ’t eerst over Het Visserijblad buig kan ik alleen maar terugvallen op de wankele vergelijking met een it-girl, een meisje dat een kwaliteit bezit die niet meteen in definities of categorieën te vangen valt. De visserij is de it-girl van de economie.
Norman Lewis lichtte een tipje van de sluier op. Na de oorlog ging hij uitzieken in een geïsoleerd Spaans vissersdorp aan de Costa Brava. Hij trok er, net als de andere mannen, ter zeevisserij. Veertig jaar later schreef hij Stemmen van de oude zee (Voices of the old Sea, 1984), een reisverhaal: ‘Nu is de visserij puur commercieel. De visser schakelt de sonar in, zoekt scholen op, gooit een gigantisch net uit. Toentertijd stapten wij in een bootje, alleen of met zijn tweeën. Mensen specialiseerden zich in één vissoort, kenden de geheimen van de vis.’
De visserij waarin Lewis naartoe trok was een andere dan deze waar ik in terechtgekomen was. In dat Spaanse dorp was de sector primitief, deze die ik aan de Vlaamse kust leerde kennen was hoogtechnologisch. Hoe kwam het dan dat ik in die primitieve Spaanse vissers de matrozen herkende die in de Oostendse visserswijken wonen? ‘Het beroep van visser verandert de geest, de mentaliteit. Vissers zijn, waar ook ter wereld gokkers. Ze halen een vangst binnen, verkopen die en spenderen het geld snel aan kleren of cadeaus. Alles moet op, ze leven van dag tot dag. Ze hebben iets heidens, ze offeren aan de oude goden van de zee. Landbouwers plannen alles. In Spanje was er naast het vissersdorp een boerendorp, het verschil had niet groter kunnen zijn.’
Ja, zo had ik ze intussen leren kennen, mijn pappenheimers. En ja, die lifestyle had wel ‘iets’. Ook voor de schrijver Norman Lewis: ‘Niet dat ik erin geloof, maar als zou blijken dat ik nog een leven te goed heb en als het beroep dan nog bestaat, dan zou ik visser willen zijn.’
In het citaat bleef mijn oog ook haken aan de zinsnede 'als het beroep dan nog bestaat'. Toen ik dat boek voor ’t eerst aan ’t lezen was, werd daar op de Vlaamse visserskaaien veel over gediscussieerd. De visserij was ook hier aan een neergang begonnen die het voortbestaan ervan in ’t gedrang bracht. Op de kaaien werd menig gesprek aldus afgesloten: als het beroep dan nog bestaat.
Hoe verging het die primitieve Spaanse vissersgemeenschap? ‘Een jaar of vijf geleden keerde ik terug naar het vissersdorp voor een reportage in de Sunday Times. De verandering was zo verschrikkelijk dat ik besloot nog voor het vallen van de avond te vertrekken. Het dorp was overgenomen door de toeristen. Ik vond er nog een van mijn oude vrienden, Sebastian. Hij had, zoals ik wel verwacht had, een klein hotelletje geopend. Vroeger verdiende hij 32 peseta’s per dag, materieel had hij het intussen stukken beter. Maar het was ook tragisch. Hij was zijn gevoel voor avontuur volledig kwijt.’

WIE VANDAAG OVER de visserij schrijft kan niet rond de eindigheid ervan navigeren. Die is evengoed zichtbaar in België als in Newfoundland, waar E. Annie Proulx haar roman Scheepsberichten (The Shipping News, 1993) situeert.
— Annie Proulx —
De teloorgang van de visserij rond Newfoundland gaat deze van Oostende vooraf. Terwijl ik het aan ’t lezen ben, beleef ik een indrukwekkende déjà vu: ‘En de visserij zakte in, de visserij zakte totaal in, veertig jaar opgegaan in rook, omdat die klootzakken in de Canadese regering elk land ter wereld visrechten gaven, terwijl ze ons met hun regels uit de markt drukten. Die gore buitenlandse treilers. Daar is alle vis in verdwenen.’ Het is een manier van redeneren die ook ten onzent bekend is, maar hier zijn de klootzakken in de Europese Unie te vinden en zijn het de Hollanders die het gedaan hebben. Gelijklopend zijn ook de maatregelen: ‘Jezus! Denk je dat je alles gehad hebt, krijg je dit! Die toewijzing van visquota alsof het rijen aardappels zijn die je kunt opgraven. Als er geen vis is, valt er ook niets toe te wijzen en niets te vangen; als je niets vangt is er ook niets te verwerken of te verschepen, en dan is er voor niemand nog een droge boterham te verdienen. Geen hond die hun achterlijke regels nog begrijpt.’
Waarna de reconversie volgt. Visser Jack Buggit weet er alles van: ‘Oké, zei ik, toen ik inzag dat ik het met vissen niet meer zou redden, oké, zei ik, ik zal verstandig zijn, ik geef me gewonnen, ik doe mee aan het regeringsplan en zeg: ‘Hier ben ik. Ik zoek een baan. Wat hebt u voor me?”
En zij zeggen: “Wat kunt u zoal?”
“Wel,” zeg ik, “ik kan vissen. Heb ’s winters in het bos gewerkt.”
“Nee, nee, nee. We willen geen vissers. We scholen u wel om.” Ze brengen de industrie hierheen, snap je. Banen voor iedereen. De eerste plaats waar ze me heen stuurden, was een leerlooierij in Go Slow Harbor, verdomme. Er werkten daar tien à vijftien mannen … Dat deed ik vier dagen lang, toen waren de huiden op, en er kwamen er ook niet meer, dus stonden we wat te niksen, of we veegden de vloer. Een paar maanden later ging de looierij op zijn kont. Ik dus weer naar huis.’ Al wie alhier in de reconversiemolen geraakt is herkent zichzelf in het citaat.
Buggit wordt naar een machinefabriek gestuurd, naar een kartonnagefabriek, een olieraffinaderij, een elektriciteitscentrale, een handschoenenfabriek… Het brengt allemaal geen zoden aan de dijk.
Uiteindelijk krijgt de visser het systeem door, maar hij weet te weinig om er iets tegen te ondernemen. Wat kan hij doen? ‘En hoe kom je dingen aan de weet? Je leest ze in de krant! Er was geen plaatselijke krant (…) maar ik was tot de conclusie gekomen dat als zij een handschoenenfabriek konden beginnen zonder leer, zonder iemand die handschoenen kon maken, ik net zo goed een krant kon beginnen.’ Of hoe Annie Proulx heel de miserie van de omscholing in enkele woorden uitgelegd krijgt.

— Redmond O'Hanlon —
IK OVERLEES wat ik tot hiertoe geschreven heb en concludeer dat ik misschien te pessimistisch ben geweest. Het lijkt er wel op dat er géén vissers meer zijn.
Redmond O’Hanlon moet die scheve situatie rechtzetten. In 2003 levert hij een knap staaltje literaire non-fictie af, Trawler, in het Nederlands vertaald als Storm. De schrijver neemt ons mee aan boord: ‘Verder naar links lag zo’n vervallen trawler afgemeerd: het bovenste deel van de romp was ooit oranje geschilderd, de brug en de dekken wit, maar nu vertoonde het schip zoveel strepen en vlekken en patronen van de roest, nu waren de staalplaten zo bobbelig van lagen verf en roest, dat het leek te leven, zichzelf was en niemand anders, alsof het oud en rimpelig was geworden, uitgeput was geraakt, en nu, op zijn ligplaats, op sterven na dood was.’
Het schip dat hij beschrijft is de Norlantean, een diepzeetrawler. O’Hanlon heeft dat schip uitgekozen omdat dat het enige is dat vanaf de Orkneys ook zee kiest wanneer de weerman orkaan voorspelt.
Schipper is Jason Schofield, ‘getrouwd met een vrouw uit een grote, keiharde trawlerdynastie van de Orkneys en zijn schoonvader heeft hem na zijn huwelijk op de proef gesteld: hij heeft hem inderdaad een tweedehands trawler gegeven, maar Jason beschikte niet over een rondvisquotum, en zodoende moest hij zijn trawler ombouwen voor de nieuwe diepzeevisserij. En die verbouwing heeft hem ruim twee miljoen pond gekost. Jason staat op zijn dertigste voor twéé miljóén pond bij de bank in het krijt. (…) hij moet elke tien dagen zo’n slordige 50 000 pond  binnenbrengen. (…) Hij móét uitvaren tijdens de januaristormen.’
Je bent schipper-eigenaar van zo’n diepzeetrawler en je hebt geen rondvisquotum. Wat moet je dan doen? Je gaat op zoek naar niet-gequoteerde soorten, soms is dat vis waarvoor zelfs nog geen markt bestaat: ‘De Fransen zijn ermee begonnen (…) De westkust van Schotland… Vangsten die in Lochinver zijn aangevoerd… De grote aanzet van dit alles… in 1989… nog maar zó kort geleden — de Atlantische slijmkop… grenadiervissen…’ Destijds ‘heeft niemand er veel aandacht aan geschonken. Maar toen voerden ze 50 000 ton Atlantische slijmkop aan (…) Dat gaf echt de doorslag. Omdat ze er ook een markt voor hadden gecreëerd. Ze hebben de naam veranderd, eerst in beryx, maar dat werkte niet, dus dachten ze aan Napoleon, als altijd, en noemden ze hem de “keizervis”. En toen begon hij te verkopen. De huisvrouw is er gek op. Overal in Frankrijk. En in Spanje idem dito.’
Alle hoop is niet verloren. Ik sluit af met een zin van Nikos Kazantzakis, te mooi om te vertalen: Forward, my lads, sail on, for Death’s breeze blows in a fair wind!

Flor Vandekerckhove

zaterdag 9 januari 2016

Een vissersgebed

Het regionale weekblad De Zeewacht publiceert wekelijks mijn column Lapkoes. Ik krijg daar nogal wat reacties op die me leren dat de visserij diep in het DNA van de kustbewoners ingebakken zit. 
Freddy Vileyn mag inmiddels in Oudenburg wonen, zijn wortels liggen aan de waterlijn. In de koekendoos waarin familieprullen bewaard worden vindt hij een Franse medaille. In een krantenartikel dat het daar over heeft leest hij dat Emiel Hennaert en zijn grootvader Leopold Van Hove gehuldigd werden omdat ze hielpen bij de redding van Franse piloten die in de Noordzee gevallen waren: ‘De visschers hebben echter gevraagd de plechtigheid uit te stellen tot na Paschen, ’t zij tot na het haringseizoen.’ Ja, zo kennen we ze: het schip gaat altijd voor. 
Van Hove voer als schipper op de O.112, maar de rederij werd stevig in handen gehouden door grootmoeder Augusta Popieul. In een ander krantenartikel staat een in memoriam: ‘Die kranige vrouw hebben we allemaal gekend als een der velen die, terwijl man en zoons op zee waren, te lande moest zorgen dat de zaken geleid werden. En dat deed ze zeer goed. Zonder omwegen durfde ze haar gedacht zeggen.’ Ja, zo kennen we ze: het hart op de tong.
Vileyn stuurt me ook een document dat ik nooit eerder gezien heb, een bladzijde van een handgeschreven versie van het ‘Krachtig Gebed van Keizer Karel tot het H. Kruis en lijden van O.H. Jesus-Christus’. Volgens hem hadden alle vissers dat destijds op zak. Dat is niet verwonderlijk, want de tekst leert ons welke voordelen het gebed zoal kan opleveren. Wie ‘het over hem draagt zal niet haastig sterven, nog in geen water verdrinken, noch in geen vuur verbranden, noch geen venijn zal hem hinderen, noch vallen in de handen zijner vijanden (…)’. Ik kan de voordelen niet allemaal opsommen want het zijn er te veel.
Evenmin mag ik er lichtvaardig mee omgaan, want ‘die er mede spot moet boetvaardigheid doen.’ Vandaar dat ik, boetvaardig als ik ben, die bladzijde hieronder in zijn geheel afdruk. 
Flor Vandekerckhove



zondag 1 november 2015

Onze IJslandvaarders, een meesterwerk van 4,600 kilo

Op 16 december 2011 werd in Oostduinkerke ‘Onze IJslandvaarders’ voorgesteld, twee dikke boekdelen van elk 600 bladzijden, goed voor 4,600 kilo leesvoer! De twee boeken mogen het levenswerk genoemd worden van de Oostduinkerkenaar Johan Depotter die er 25 jaar aan gewrocht heeft.  Ze vormen een naslagwerk waarin hij alfabetisch 975 IJslandvaarders vermeldt, met alles wat hij daarover heeft kunnen opgraven: familiale situatie, afvaarten, functies aan boord, veroordelingen, anekdotes & verhalen, briefwisseling, ongevallen, overlijden…
Het is tegelijk veel meer dan een naslagwerk. Tijdens zijn opzoekingen (die hem even goed naar Duinkerken voerden als naar Cherbourg, Bretagne, Brussel en Beveren-Waas) kwam hij in contact met andere onderzoekers die hem veel over de IJslandvaart leerden. Van nabestaanden kreeg hij dan weer fotomateriaal en andere documenten die alle hun weg naar de twee boekdelen vonden, goed voor honderden illustraties. Johan Depotter: ‘Bij ieder personage wordt een tipje van de “IJsland”-sluier gelicht, zodat men zich, aanbeland bij de familienamen met de letter “Z” beslist een ruimer beeld kan vormen van de samenleving van onze kustbevolking in de 19de eeuw en in het bijzonder over het leven aan boord van een Duinkerkse of Grevelingse galette.’ (*)

Voor Het Visserijblad ging ik toen enkele nabestaanden opzoeken. Ze vertelden me over het zware, maar nu ook, dank zij Depotter, roemrijke verleden van hun voorvaderen.
1. Karel Debergh was een schaapherder en daardoor niet veel thuis. Maar wanneer hij thuis
— Auteur Johan Depotter en Simonne Vincent, kleindochter van een IJslandvaarder.
Simonne baatte in Oostende vele jaren de Kurkenzak uit, een sterk met de visserij
verbonden winkel, annex café, in de volksmond bekend als 't Veegeetje. —
was, maakte hij kinderen. Voor de rest was het indertijd niet anders dan nu: veel uithuizigheid bevordert het familieleven niet. Toen Karel in een geval van fraude veroordeeld werd, verkocht hij hebben en houden en ging gescheiden van zijn vrouw leven. De drie kinderen werden geplaatst en kwamen bij vissers terecht. Vader moest daarvoor de niet geringe som van 15 frank per kind aan onderhoudsgeld betalen, wat hij weigerde, waardoor de kinderen op straat dreigden te komen, wat dan weer door het Armenbestuur van Adinkerke belet werd. De situatie brengt ons meteen in de sfeer van de Westhoek uit die niet zo goede oude tijd.
Karels oudste zoon heette Désiré en werd Diesje Kloeffe genoemd. Hij werd landbouwersknecht, maar in 1888 trok hij toch naar Duinkerke om er aangemonsterd te worden. De ervaringen van zijn eerste reis werden opgetekend door Bert Bijnens: ‘Als visser die voor de eerste keer de reis meemaakte, ontdekte ik nooit de vormen van het eiland; de gletsjers leken wel witte wolkentoppen. Al naderend doemde dan het eiland op als “een donderschei met witte wolken”. In de Bollebocht (Heklabocht) zag ik de Heklavulkaan (…) Men ziet die vulkaan reeds van ver, toch ligt hij een eind daarvan en die baai is nog dertig uren zeilen diep. In die bocht liggen grote keien die leken op ’t water te drijven als kurk.’
Het bleef niet bij die ene reis. Diesje Kloeffe werd een doorgewinterde visser. Aan boord van de OD. 3 l’Espérance ontsnapte hij In 1891 als enige aan de verdrinkingsdood. Tijdens zijn vierde reis naar IJsland ging het op een andere manier mis. Tijdens de visvangst werd hij ziek (typhuskoorts of pokken) en de kapitein zette hem in Reykjavik aan de wal. Hij werd er in quarantaine geplaatst, verzorgd en uiteindelijk weer door de galette opgepikt.
Dat belette hem niet om nadien nog drie keer af te varen. In 1897, na een magere visvangst, gaf hij er de brui aan en werd kustvisser. Nog later werd hij een duinenboertje dat zich toelegde op de teelt van aardappelen, rogge en gerst. Als bijverdienste breide hij netten voor de plaatselijke strand- en paardenvissers. Hij werd 89 jaar.
Désiré Debergh kreeg verschillende kinderen en die zorgden op hun beurt voor nageslacht. En zo komt het dat Simonne Vincent een kleindochter van hem is. Simonne is in de Oostendse visserij bekend omdat zij en haar echtgenoot vele jaren lang De kurkenzak uitgebaat hebben, een sterk met de visserij verbonden zaak, annex café, op de Hendrik Baelskaai. Het café (dat nog altijd tot de best bewaarde geheimen van Oostende behoort) bestaat nog altijd en is bekend als ’t Veegeetje (zo genoemd naar Végé, een van oorsprong Nederlandse organisatie van zelfstandige winkeliers waarvan de winkel van Simonne destijds deel uitmaakte).
2. In het werk wordt slechts één Debergh vermeld, maar Vermo(o)tes zijn er in alle maten
— Eddy en Reginald, achterkleinkinderen van
IJslandvaarder August Vermoote. —
en gewichten, dertien in totaal. Op de boekvoorstelling legden we contact met Eddy en Reginald. We vroegen hen van welke Vermo(o)te ze familie zijn. Het antwoord volgde even vlug als resoluut: van allemaal!
Inderdaad, aan het begin van de 19de eeuw is er binnen de Oostduinkerkse familie Vermoote plots een zoon die zijn kinderen bij de burgerlijke stand te Koksijde als Vermote aangeeft. Zo komt er wel een enigszins andere naam, maar de nakomelingen blijven uiteraard wel een bloedband met elkaar hebben. De Vermootes (2 x o) en de Vermotes (1 x o) zijn allen door familiebanden met elkaar verbonden.
Rechtstreeks zijn Eddy en Reginald afkomstig van IJslandvaarder August Vermoote (1867-1935) waarvan ze de achterkleinkinderen zijn. August trok voor het eerst naar IJsland toen hij zeventien was. Zijn laatste reis ondernam hij in 1905, toen hij 38 was. In die relatief korte periode had hij twintig keer de campagne naar IJsland meegemaakt. Toen hij van zijn laatste reis terug thuis kwam, moest hij vernemen dat zijn echtgenote twee maanden eerder overleden was.
Letterkundige Juul Filliaert vluchtte tijdens de Eerste Wereldoorlog weg uit Nieuwpoort en ging schuilen in de Westduinen van Oostduinkerke, waar hij buiten het bereik van de Duitse bombardementen kon blijven. Enige tijd logeerde hij bij August Vermoote die hem over zijn vele reizen vertelde. Zo kwam de schrijver in de ban van de visserij en schreef hij in 1938 ‘De laatste Vlaamsche IJslandvaarders’.
— Focusjournalist Bernard Vanneuville (links) en Flor Vandekerckhove. Bernard
komt uit een groot geslacht van IJslandvaarders. —
3. Eenentwintig Vanneuvilles worden er in Onze IJslandvaarders vermeld. Engelbert Vanneuville was zo’n voortvarende visser en vier van zijn zonen waren dat eveneens.
Het spreekt vanzelf dat veel nageslacht ook buiten de visserij terecht kwam.  Zo komt het dat ook Focusjournalist Bernard Vanneuville zich telg van een IJslandvaardersgeslacht mag noemen.  Zijn grootvader, Achille alias Chieltje, was een van de zonen van IJslandvaarder Engelbert die in de voetsporen van zijn vader stapte en op zijn beurt naar IJsland voer. Chieltje maakte zijn eerste reis in 1901 toen hij achttien was. Hij kreeg meteen zijn vuurdoop, want de D.36 Léontine kwam in een storm terecht die zestig uur duurde. In 1902 vinden we hem op de galette Hélène & Adrienne. Die reis leert ons iets over de inkomsten van de IJslandvaarders. Op 7 september zat de reis erop. Achille had al 242,50 frank voorschot ontvangen en kon na de reis nog 191,30 frank ophalen, na aftrek van 22,50 frank voor het dagelijks rantsoen eau-de-vie. Bruto goed voor 456 frank. Het daaropvolgende jaar viel het dan weer tegen: bruto slechts 370 frank. Terwijl ik die bedragen opschrijf, vraag ik me af of het hier Franse dan wel Belgische franken betreft. Ik contacteer Johan Depotter die me weet te vertellen dat mijn vraag zonder belang is: van 1850 tot 1914 blijkt de waarde van die twee munten identiek te zijn.
Wat moeten we dan verder nog weten om het inkomen van Chieltje Vanneuville een beetje in perspectief te plaatsen? In 1887 kostte een brood 0,32 frank/kg, zo weten we van Jef Klausing, die ons in zijn boek ‘Ach, gij rijke lieden met al uw geld’ ook vertelt dat aardappelen toen 0,13 frank kostten. Een kilo goedkoop vlees was goed voor 1 frank, melk kostte 0,20/liter, kolen betaalde men 2,50 frank per 100 kilo.
Vanneuville verdiende op zee in zes maanden tijd ongeveer 350 à 430 frank netto. Ter vergelijking: Oostendenaars die in die tijd op verse vis gingen jagen, haalden netto, nog steeds volgens Klausing, in de zomer ongeveer 7 frank per zeereis (van acht dagen) binnen, in de winter hielden ze netto iets meer dan 20 frank over en als de vangst extra meeviel kon dat oplopen tot 40 frank.
4. Robert is de kleinzoon van Edward Desaever (1853-1937) die in de volksmond Warten Tanghe genoemd werd. We ontmoeten Nieuwpoortenaar Robert Desaever op de boekvoorstelling in het museum Navigo. Hij benadrukt dat hijzelf ook nog op IJsland gevaren heeft, met name op de O 286 Charles-Henri van schipper Michel Anseeuw. Waarmee de kleinzoon van IJslandvaarder Edward Desaever de enige is uit diens nageslacht die de sprong van de historische IJslandvaart uit Duinkerken naar de moderne IJslandvisserij vanuit Oostende gemaakt heeft. Robert benadrukt het nog eens: ‘Noch mijn vader, noch mijn broers hebben op IJsland gevaren, alleen ikzelf ben in de sporen van grootvader getreden.’
— Robert Desaever nam zelf ook
deel aan de IJslandvaart, maar dan
aan de moderne versie, van uit Oostende. —
Die grootvader had een indrukwekkend parcours gereden. Depotter viste uit dat de man niet minder dan 23 IJslandreizen op zijn actief kon schrijven. En wanneer hij thuis was durfde hij al eens een konijn te stropen. In 1890 had Warten voor het stropen al eens een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelopen en in 1894 werd hij weer betrapt toen hij een strop aan ’t plaatsen was. Op het proces was hij niet aanwezig, want hij was alweer op weg naar Duinkerke om daar in te schepen. In die tijd kon een visser nog naar zijn werk ontsnappen.
5. Op de boekvoorstelling ontmoeten we ook Gerard Driesmans.  Hij woont nu in Rotselaar, maar is uit de Westhoek afkomstig. Zijn grootvader Engel Puystiens, alias De Rosten (°1883), overleed op 22 april 1978 in het bejaardentehuis van De Panne. Hij was toen op een na de laatste nog in leven zijnde historische IJslandvaarder. Zijn eerste reis naar IJsland ondernam hij in 1901. Hij was 18 jaar en oud genoeg voor de dienst. Sommigen waren jonger, zo jong zelfs dat er in 1907 een wet nodig was die verbood scheepsjongens aan boord te hebben die jonger dan 15 waren. In 1908 werden daarop nog vijf inbreuken vastgesteld.
Alsof het leven nog niet hard genoeg was, moesten sommigen tussendoor ook nog het land gaan verdedigen. Dat was ook het geval voor Engel Puystiens die in 1906 in Antwerpen gekazerneerd werd. Geld om tijdens het verlof naar huis te keren had hij niet. ‘Om iets bij te verdienen trok hij ’s zondags naar de Vogelmarkt te Antwerpen. Daar kon je worstelen. Verliezen of winnen, ’t kon hem niet veel schelen. Als hij maar wat extra geld op zak kreeg.’ Those were the days!
6. Betekent dit nu dat alle IJslandvaarders uit de Westhoek in het boek vermeld worden? Depotter inventariseerde er 975 van.  Heeft hij ze allemaal? De grootvader van de bekende Oostendse reder Pros Vanbillemont heette Georges, woonde in de Westhoek en hij was gehuwd met Julia Calcoen. Volgens Pros was die grootvader een IJslandvaarder, maar die naam vinden we in deze twee boeken niet terug. Hoe komt dat?
— Engel Puystiens, de grootvader van Driesmans
was eveneens een bekende IJslandvaarder. —
We gingen het vragen aan Johan Depotter die wel een wandelende encyclopedie van de IJslandvaart lijkt te zijn en ons het volgende zei: ‘Georges Vanbillemont (°Adinkerke, 1883) huwde te Adinkerke in 1907 en week met zijn gezin uit van De Panne naar Oostende na 1922. Vanuit Oostende kan hij IJslandvisser geweest zijn (visbakken- stoomschepen), maar er is over hem niets bekend van IJslandvaart vanuit Gravelines of Duinkerken. Het is bijna zeker dat hij daar nooit aangemonsterd heeft. Mocht Pros daar wél bewijzen van hebben, dan zou ik dat uiteraard graag vernemen. De vader van Georges was Pieter en die was wèl IJslandvaarder, zijn schoonvader Louis van Trieeltjes (Calcoen) eveneens en ook zijn schoonbroer Mong Verhaeghe die huwde met Julia's zus, Bertha Calcoen.’
De Vanbillemonts hebben meer dan één IJslandvaarder geproduceerd, maar Georges was daar wellicht niet bij. In de inventaris vinden we gegevens over Vanbillemonts die David Franciscus (°1865) heten, Henricus Josephus (°1849), de overgrootvader van Pros, namelijk Petrus Jacobus (alias Pier Billeman! °1853), Eduardus Theodoor (°1859), Augustus Henricus (°1862), Engelbertus (alias Beer, °1866), Arthur Franciscus (°1875) en Carolus Ludovicus (Keuntje, °1878).
De zee eiste overigens een zware tol bij die Vanbillemonts. Henri komt in 1868 in IJslandse wateren om het leven: ‘Bij het werk in het want, moesten de lenigsten mee met de stuurman naar boven klauteren om vooral bij de ra’s van de fokkemasten het zeil in orde te brengen. (…) bij de onderra viel Henri plots in zee. Ze gooiden vlug een boei en wat touwwerk in zijn richting, maar in het koude water had de jongen de kracht niet om die te grijpen. (…). Er kwam op 3 oktober 1868 op ’t gemeentehuis van Koksijde een brief toe waarop vermeld stond dat de bezittingen die Henri aan boord had afgehaald konden worden in het bureau van ‘l Inscription Maritime te Duinkerke.’  Eduard kwam dan weer om in internationale wateren en August verdronk rond IJsland toen de D 89 Vaillante in 1888 met man en muis verging. Hij deelde het lot van minstens 130 andere Vlamingen die tussen 1815-1938 niet meer terugkwamen uit IJsland, in de toenmalige volksmond ‘Deugnieteland’ gegeten.
Flor Vandekerckhove

(*) Meer over dit indrukwekkende boekwerk vind je in de blog van De Laatste Vuurtorenwachter. Je komt op die stek terecht wanneer je hier drukt.

‘Onze IJslandvaarders’ werd uitgegeven door Academia Press uit Gent. Het eerste boek bundelt de namen van A tot K, het tweede deel van L tot Z. Het werk is in de boekhandel te koop, alsmede in het visserijmuseum Navigo te Oostduinkerke en bij de toeristische diensten van Koksijde. De twee boeken kosten samen 70 euro.